zaterdag 31 juli 2010

TICER 2010: slotdag

Klaran was jarig. Ik had nog wat lekkers voor d'r meegenomen en de organisatie pakte uit met een enorme bos bloemen. Heel attent, chapeau!

De laatst TICER-dag liep wat anders dan gepland. Henk Ellermann was wegens slecht weer in Bologna gestrand. De slotspreker Herbert van de Sompel was zo vriendelijk om in de ochtend nog een presentatie in elkaar te draaien over Linked Data (het onderwerp van Henk) en het Semantic Web.

De inleiding van Nico Verplancke, program manager breedband instituut (IBBT Vlaanderen),  was getiteld "Of 13 year old boys and libraries, Will digital natives still love books?". Hij gebruikt de termen digital natives (geboren in een tijd dat Internet al gemeengoed was) en digital immigrants (dat zijn wij).
Zijn conclusie was: digital natives zullen vaak weinig met boeken hebben maar misschien wel met bibliotheken (want daar kun je ervaringen delen!).
Met allerlei leuke invalshoekjes en filmpjes (en goeie grappen) leidde Nico ons naar die conclusie toe.
De Mazlov-piramide van de jonge generatie bestaat uit Ontmoet - Ervaar - Leer - Vind uit.
Zie ook:
- What digital natives want from their library. Hilarische video
- Children’s interactive library (langere video uit 2006, beetje doorspoelen af en toe, zeker in het begin)
- Sixth sense draagbrare electronica, echt heel innovatief. Video
- De werkelijkheid aanvullen met nuttige markeringen. Wellicht toepasbaar bij en in onze gebouwen (al moeten we wel alternatieven voor GPS vinden, bijvoorbeeld de Wi-Fi accesspoints). Leuk alternatief voor een instructiefilmpje of een rondleiding.

Anne Christensen van de UB Hamburg ging in op het ontsluiten van de catalogus voor de huidige generatie. "From user studies to use experience. Next generation catalogs / discovery."
Men wilde echt een fundamenteel ander zoeksysteem, geen cosmetische veranderingen van de oude catalogus. "More than just some lipstick on the pig".
Dit gebeurt in Hamburg in het kader van e-learning, zij zoeken dus nadrukkelijk integratie met hun equivalenten van Nestor, Progress, Ocasys, etc.
Het project heet Beluga. Mede vanwege de integratie met lokale leersystemen heeft men voor maatwerk software gekozen. Voor het Beluga-project hebben zij de (betaalde) hulp van studenten ingeroepen voor Focus groups en Usability Studies. De uitkomsten zijn soms best verrassend.
- studenten zitten zo krap in de tijd dat ze niet zelf een bibliografie willen maken, ze vinden dat dit beschikbaar moet zijn (aardig voorbeeld op http://wiwi-werkbank.de)
- ze snappen soms de metadata niet; als ze de voorkant van een boek zouden kunnen zien zou dat al helpen.
- ze zijn heel kritisch over neutraliteit, Amazon-achtige aanbevelingen wil bijna niemand
- ondersteuning voor serendipity. Ik denk dat een knopje “boekenplank” (zodat je verwante literatuur zou zien) al zou helpen.
- ze vinden een Google-look-and-feel verwarrend, dit hulpmiddel is toch iets anders dan Google; yufind (open source software van Yale) heeft daarom gekozen voor een vangnet onder het interface (vooral voor beginners).
- de catalogus moet geen sociaal platform worden; user-tagging kan als mislukt beschouwd worden, zelfs belonen voor reviews werkt niet goed; de mening van docent en medestudenten telt wel mee, maar niet in de catalogus stoppen svp; "social stuff happens elsewhere". Mediuniwien heeft een ‘little catalog’ alleen voor Medicijnen, in een kleinere, minder anonieme gemeenschap werkt het misschien wel.
- het delen van lijsten en aanbevelingen is omstreden; "dit werk is van mij", "dit is privé", etc. Het zouden wel goede startpunten kunnen zijn voor beginners, maar die boodschap landt niet bij de ervarener studenten.
- de verwachtingen voor de zoekmachine zijn erg hoog; hulp bij invoer is belangrijk (spell checking, autocompletion, faceted browsing); inzet trefwoorden ? Relevantie-algoritmes zijn vaak niet goed genoeg. Moet Oplage ook een rol spelen in de bepaling van de relevantie? Of circulatiegegevens? Ben je dan behulpzaam bezig of sturend? Oplossen door de relevantie-algoritmes te personaliseren?
- de gebruikers willen meer electronische resources, maar hebben uiteindelijk vaak juist makkelijkere toegang nodig. Delivery is misschien wel een groter struikelblok dan discovery. Zie Trove (australie), ncsu. Vantevoren alleen beschikbaar materiaal kunnen aanvinken is een belangrijke wens/eis. In Zweden (libris) krijg je een kaartje te zien met in welke bibliotheken allemaal exemplaren liggen.

Bij het vragenrondje ontstond een geanimeerde discussie wat de rol van een catalogus nog is en wat de voor- en nadelen zijn van het in huis ontwikkelen van dit soort software.

Na de lunch nam Herbert van de Sompel ons bij de hand in de wereld van Linked Data en het Semantic Web. Websites verouderen vaak doordat data veroudert die men aan andere websites heeft ontleend. Dat kun je oplossen door data volgens bepaalde afspraken vorm te geven (URI, RDF, tripels). Bijvoorbeeld Pubmed en dbpedia zijn al op die manier ingericht. Als je website daar volgens de afgesproken richtlijnen data vandaan haalt, zal die data normaal gesproken altijd vindbaar en up-to-date blijven. Voor geinteresseerden verwijs ik graag naar de scriptie van Florian Kunneman of het artikel in de Volkskrant over de leidse bio-informaticus Barend Mons over nanopublicaties.

Daarna kwamen Open Annotation en het Memento-project aan bod.

Het Open Annotation Collaboration project (gesponsord door Mellon) is gebaseerd op de principes van Linked Data. Een annotatie kan in principe drie auteurs hebben, van de annotatie zelf, van de beschrijving van het object ("body") en van het object zelf ("target"). Body en target kunnen allerlei vormen aannemen (tekst, audio, video, etc.).
Een annotatie heeft ook als kenmerk het tijdstip waarop het gemaakt is. Dat is zelden een probleem als in een boek een ander boek wordt geannoteerd. Maar als het Internet-bronnen betreft, heb je een probleem, want die zijn vluchtig.
In het Memento-project wordt dit probleem aangepakt. Veel Internet-pagina's worden gearchiveerd. Die pagina's zijn echter vaak lastig te vinden, zeker voor computerprogramma's. In het Memento-project heeft men twee nieuwe http-headers geintroduceerd die om kunnen gaan met het datum/tijd stempel van Internet-objecten. Op die manier kunnen web-archieven wel doeltreffend bevraagd worden op oudere inhoud. En hiermee lijkt ook het probleem van Open Annotation opgelost te zijn.
Het voorstel uit het Memento-project (van november 2009) heeft veel positieve respons ontvangen, maar is nog niet geaccordeerd. Wel nemen verschillende partijen er al een voorschot op door hun software aan te passen. Er is al een plug-in voor Firefox om met web-archieven om te gaan.

TICER2010 was zeer de moeite waard, ik heb er echt veel van opgestoken en ideeen opgedaan. 

donderdag 29 juli 2010

TICER 2010: vierde dag, gadgets!

Dag vier van TICER ('Mobile technologies in education and libraries') was geweldig. Bij de afronding kondigde de Kurt de Belder aan dat-ie 'om' was, hij was zo enthousiast geworden dat hij ook een smartphone ging kopen.

Kristen Purcell van de Amerikaanse 'fact tank' Pew Research heeft zich verdiept in het informatiegedrag van tieners en jonge volwassenen. Hierbij ging het vooral om mobiele ICT en de rol van sociale netwerken.
De belangrijkste boodschap van haar was dat er sprake is van een nieuwe informatie ecologie. De bibliotheek kan zich bv. op Twitter niet meer als instituut opstellen, maar als "friend", als "node" in hun sociale netwerk. Bibliothecarissen moeten zichtbaar zijn en kunnen het zich dus niet veroorloven weg te blijven van Twitter, Facebook, etc. Negeer je deze virtuele hangplekken, dan maak je geen deel uit van de habitat van de studenten en jonge wetenschappers en ben je dus niet relevant.
Andere tips:
- gebruik de kracht van een bibliothecaris: expert, filter, aanbeveler en facilitator. Tweet ook over het werk van andere instituten.
- je publiek is groter dan je denkt
- onze boodschappen hebben een organisch leven dat verder reikt dan je eigen presentatie ervan (dus user-friendliness is heel belangrijk)
- let op kansen om communities te vormen
- doe mee aan Web 2.0 (Twitter is niet leuk, maar MOET bij Pew; ze werken zowel met institutionele twitter-accounts als persoonlijk). Twitter over waar je goed in bent, waar je verstand van hebt. Twitter gericht!
- gebruik mobiliteit, jongelui houden van constant contact, bedenk hoe je daar mee om wilt gaan
- vraag feedback, doe er iets mee en meld dat terug
- gebruik interactiviteit waar mogelijk
- faciliteer het delen van informatie
Zie verder (ook veel statistiekjes) http://www.slideshare.net/PewInternet/digital-libraries-la-carte-2010


Adam Blackwood bracht daarna het publiek in vervoering. Net als bij Carole Goble lag na afloop het spul als boksers in de touwen, maar nu blij in plaats van bezorgd.
Adam liet ons in hoog tempo allerlei leuke toepassingen zien van het gebruik van mobiele technologie (vooral smartphones) en Web2.0. Prachtige instructiefilmpjes op basis van Powerpoint, zo gepiept. Allerlei toepassing van QR-codes (die vierkante barcodes, bijvoorbeeld voor de open opstelling), broadcasten met Bluetooth en Textblue, allerlei Twitter-toepassingen, twitteren vanuit een Powerpoint, augmented reality, stemmen in de collegezaal, etc.
Dit optreden was indrukwekkend, ter plekke werden allerlei bibliotheektoepassingen bedacht.
Je kunt Adam volgen op Twitter (adamrsc).
Zijn Powerpoint van vandaag: http://www.slideshare.net/AdamRSC/ticer-2010-adam-blackwood.
Een korte samenvatting heb ik helaas alleen op papier.

De presentatie van Tito Sierra van NCSU Libraries was een prima aanvulling op Adam Blackwood. Hij legde uit hoe ze bij zijn bibliotheek mobiele applicaties maken. Op 1 na zijn het allemaal simpele applicaties, die heel duidelijk een praktisch doel dienen.
Het maakt veel uit of je een website voor mobiel gebruik maakt of een echte mobiele app. Zo'n 40-45 bibliotheken in de USA hebben een mobiele website, slechts 7 hebben 1 of meer apps gemaakt. Een app maken is lastig, zeker voor de iPhone.
Zij hebben de volgende toepassingen gebouwd:
- openingstijden per lokatie
- waar zijn PC’s beschikbaar? (qua populariteit op 2)
- zoeken (catalogus, SUMMON), nummer 3 in gebruik
- Ask us (chat met de bibliothecaris, etc.)
- Reserveren van ruimts voor groepen, toont ook de beschikbaarheid van ruimtes
- nieuws, events
- webcams (bijvoorbeeld van de rij voor de koffie, de meest gebruikte mobiele toepassing)
- groupfinder (medlingen op schermen in de biblioteek waar bepaalde groepen zijn neergestreken)
- Wolfwalk (website en IPhone app)

Wolfwalk is een applicatie om mensen al rondwandelend iets bij te brengen over de geschiedenis van de universiteit. De applicatie weet precies waar je bent en wijst je op interessante gebouwen en plekken.
Hij waarschuwde het publiek niet een mobiel aanbod te starten om mee te kunnen doen. Je moet echt iets toe kunnen voegen wat niet met een gewone website kan.

Rudolf Mumenthaler van ETH Zurich sloot de dag af met een verhandeling over E-book readers en wat de bibliotheek er mee moet en kan.
De e-reader wordt populair. Men verwacht dat in 2010 6 ml. van deze readers (vooral Kindle) verkocht worden. Verder leest men ook op smartphones en iPAD's (3  ml. verkocht in 3 maand). E-books zijn momenteel vrij goed te betalen omdat Amazon ze onder de winkelprijs verkoopt.
Er zitten nog wel een hoop haken en ogen aan het lezen van e-books en helemaal aan het uitlenen ervan. Formaatproblemen, auteursrechtelijke problemen, hoge kosten, toegankelijkheidsproblemen voor gebruikers van de bibliotheek die niet op het netwerk van de universiteit zitten, etc.
Grappig was dat een deelnemer vertelde dat haar bibliotheek heel succesvol is met het uitlenen van iPAD's (met een e-book naar keuze erop) en dat de spreker toen opmerkte dat dat helemaal niet mag van Apple.
Ik kreeg de indruk dat het grootste deel van het publiek verwacht dat de e-readers het uiteindelijk zullen afleggen tegen de tablets (iPAD, Samsung tablet-PC, etc.).

Dit was een erg nuttige en leuke dag. Heel veel geleerd en ideeen opgedaan. En Klaran twijfelt nu ook of ze niet aan de smartphone moet....

TICER 2010: derde dag, Teaching & Learning

De blog over de derde dag (Partners in Teaching and Learning) zal vrij kort zijn. Niet dat de presentaties niet interessant waren, maar het is erg lastig om de betekenis van de presentaties voor de biblotheek in een stuk tekst te gieten. Naast Klaran en Annalies was vandaag ook Bert Huizing (EBR) aanwezig.

Stewart Ross (directeur Center for excellence in teaching & learning in Minnesota) had het over goed lesgeven. Veel docenten aan de universiteit zijn te veel bezig met de inhoud en te weinig met leerdoelen, actieve werkvormen en evaluatie. Dat geldt ook voor het overbrengen van 'ínformation literacy skills', of dat nou door bibliotheekmedewerkers gebeurt of door de wetenschappelijke staf.
De bibliotheek moet het contact zoeken met de wetenschappelijke staf om te zorgen dat de studenten goed les krijgen over de omgang met wetenschappelijke informatie. Dat kan door vak-liaison's aan te stellen en deze goed te begeleiden. Bij hem in Minnesota pasten ze ook speeddating toe tussen de bibliotheek-staf en wetenschappelijke staf.

Esther Breuker (projectleider Teaching & Learning in Tilburg) praatte ons bij over 'web lectures'. Interessant, maar het lijntje naar de bibliotheek was dun. Een ontwikkeling is het 'aankleden' van de filmpjes met metadata, indexen, hoofdstukindeling, ondertiteling, etc. De bibliotheek kan een nuttige rol spelen bij het vaststellen van standaarden en het beheren van de collectie van les-video's.
Volgens haar liep het collegebezoek nauwelijks terug door de beschikbaarheid van de filmpjes. Stewart Ross had andere ervaringen. In de USA zie je nu een ontwikkeling dat bepaalde docenten zaken uit de web lecture weglaten om het contact met de studenten door collegebezoek te kunnen behouden.

Margaret Weaver heeft bij de universiteit van Cumbria de integratie van een aantal ondersteunende diensten, waaronder de bibliotheek, in 1 dienst uitgevoerd. Mede vanwege financiele problemen moest haar organisatie veel efficienter gaan werken.
Haar presentatie ging vooral over de emotionele kant van de reorganisatie en leiderschap. Welke eigenschappen van een leider zijn belangrijk in dergelijke omstandigheden?
Een erg leuk idee vond ik 'rumour mail'. Als mensen tijdens de reorganisatie ergens mee zaten konden ze anoniem een bericht achterlaten bij rumour mail, waarop binnen 24 uur een antwoord van het management kwam. Omdat ale medewerkers de vragen en antwoorden konden  volgen, heeft ze hiermee veel kou uit de lucht weten te halen.

Hans Geleijnse, voormalig dir. Academic Services (bibliotheek + IT-afdeling) Tilburg, ging in op Learning Centres en Learning Spaces.
Onderzoekers komen nauwelijks meer in de bibliotheek. De UB richt zich daarom steeds meer op de student.
Studenten hebben behoefte aan een ruimte om samen te werken, onder het genot van eersteklas ICT-tools en de beschikbaarheid van wetenschappelijke informatie: het Learning Centre.
Geleijnse behandelde een aantal voorbeelden uit het buitenland: Georgia Tech, Emory, Glasgow, Warwick (Learning Grid) en Rolex Learning Centre Lausanne.
In Tilburg heeft men gekozen voor een aantal Learning Centres, zowel in de bibiotheek als bij de faculteiten (wel gemanaged door Academic Services).
De bibliotheek is hiertoe helemaal gerenoveerd. Belangrijke speerpunten bij de renovatie waren flexibiliteit (behoeftes kunnen veranderen) en een grotere zichtbaarheid en toegankelijkheid van de bibliotheekmedewerkers voor de bezoekers.
Opvallend is dat men een hoek van het gebouw heeft gereserveerd voor wetenschappers. Men verwacht dat vooral wetenschappers die kort in Tilburg verblijven hiervan gebruik gaan maken.

TICER 2010: tweede dag

Tweede dag Ticer. Gelukkig beginnen we de dag met mooi weer en een eekhoorn.
Vandaag gaat het over de bibliotheek en de onderzoekspraktijk, voor mij het onderwerp waar ik met minst in thuis ben. Het is druk vandaag, zeker 50 man.

Tony Hey verricht de aftrap. Hij is een Engelse onderzoeker (ooit Dean in Southampton), die sinds een aantal jaren voor Microsoft Research werkt. Microsoft Research? Inderdaad, dat vroeg ik me ook af. Na afloop vertelde hij me dat de uitgaven aan zijn afdeling niet als liefdadigheid moesten worden beschouwd, maar vooral om Microsoft meer salonfaehig te maken op universiteiten. In 2005 heeft Bill Gates de organisatie opgericht en hen marsorders gegeven.
Opvallend was dat elke sheet van zijn Powerpoint de opmerking bevatte dat het viel onder een Creative Commons license, dat had ik nog nooit meegemaakt bij een presentatie van een Microsoft-medewerker.
Rode draad in zijn  presentatie was dat we een 'data zondvloed' ondergaan. Wetenschappelijke apparatuur zorgt voor enorme hoeveelheden data. In Medline worden 2 artikelen per minuut gestopt. Voor de mens is dit niet bij te houden, die taak kunnen alleen machines aan.
We zijn beland in een nieuwe fase, het vierde paradigma.
1. experimentele wetenschap (Galileo)
2.  theoretische wetenschap (Newton)
3. computational wetenschap (klimaatmodellen)
4. data-intensieve wetenschap
Dit speelt niet alleen in de exacte wetenschappen en de geneeskunde, zie bijvoorbeeld de tijdreeksen van Chronozoom op www.chronozoomtimescale.org
Een andere belangrijke ontwikkeling is dat het business model van wetenschappelijk publiceren kraakt in zijn voegen. De prijzen van tijdschriften stijgen sneller dan de budgetten, voorzover die nog omhoog gaan. Hey ziet een analogie met het in het ongerede raken van het verdienmodel in de muziekindustrie. Terloops ventileerde Hey kritiek op Google Scholar en vertelde hij dat MS werkt aan iets beters.
Hey had nog een mooi citaat van Paul Gnsparg over deze kwestie: " Ironically, the new technology may allow the traditional players from a century ago, namely the professional societies and institutional libraries, to return to their dominant role in support of the research enterprise."  P. Ginsparg, "Winners and Losers in the Global Research", Electronic Publishing in Science, at UNESCO HQ, Paris, 1996 (eds. Dennis Shaw and Howard Moore).
Bibliothecarissen kunnen de rol spelen van hoeders van de research output van een wetenschappelijk instituut. Als ze daar echt werk van willen maken moeten ze stoppen met andere dingen: minder print / schapruimte, geen aankopen meer doen voor bijzondere collecties (heel weinig onderzoekers doen hier iets mee) en hij maakte ook tamelijk onaardige opmerkingen over IBL.
Daarentegen moet er veel meer geld worden gestoken in repositories. Goed gevulde repositories (de toppers eerst!) zijn essentieel voor de reputatie van een universiteit.
Voor de UB's betekent dit dat nieuwe competenties belangrijk worden. Organiseren, classificeren, ontsluitbaar bewaren van datasets. En dat allemaal op een veel geringere afstand van de onderzoekers dan nu. De veel gehoorde kreet van "embedded librarian" kwam ook bij Hey op.

De tweede presentatie kwam van Andrew Treloar, Australie, director of technology ANDS. Data, Librarians and services. ANDS is een soort kruising tussen SURF en DANS.
Hardware wordt snel beter, software wordt langzaam beter, ‘wetware’ (wat tussen onze oren zit) verbetert niet, mensen met data management competenties blijven kostbaar. De enige remedie is een combinatie van standaardisatie en automatische tools.
Liaison met research is essentieel, weer kwamen de 'embedded librarians' langs.

Na de lunch kwam het klapstuk. Carole Goble, hoogleraar uit Manchester (zelf informaticus, leider van een groot bioinformatica-project), leider van een soort Gideonsbende. Vijf turven hoog, een kruising tussen een bulldozer en een wervelstorm die tussen neus en lippen door ook nog even liet weten dat ze in 1993 voor het laatst in een bibliotheek was geweest! Haar groep was continu bezig te werken aan de grenzen van wat bekend was.
Kenmerkend was bijvoorbeeld haar beschrijving van de software die volstrekt onontbeerlijk is voor de onderzoekers: 'permanent beta'. Een schrikbeeld voor mij. Zou jij een medicijn willen slikken dat voortkomt uit onderzoek dat gebaseerd is op niet-gevalideerde software, waar gisteren nog aan gesleuteld is? Ikke niet!. In de wereld van de bioinformatica denken ze er blijkbaar anders over.
Sleutelwoorden:
- knowledge turn: door methodisch werken binnen internationale onderzoeksgroepen sneller patronen ontdekken.
- data curation: belangrijke datasets verrijken door analyse toe te voegen, metadata, etc. Hiervoor is minstens PhD niveau nodig, zij ziet hierbij geen rol voor bibliotheken. Data curation gebeurt door experts die geen baan kunnen vinden of door 'crowds' (vgl. open source gemeenschap). Bibliotheekmedewerkers inschakelen zou een 'ínsult' zijn voor de onderzoekers.
- Standard Operation Procedures (SOP): fenomeen uit de medische wereld, later overgenomen door de ICT-wereld. Een formele standaardisatie van bepaalde routines.
Een dag uit het Web2.0 leven van Paul, 1 van haar onderzoekers:   
"Prior to leaving home Paul, a Manchester graduate student, syncs his IPhone with the latest papers, delivered overnight by the library via a news syndication feed. On the bus he reviews the stream, selecting a paper close to his interest in HIV-1 proteases.
    The data shows apparent anomalies with his own work, and the method, an automated script, looks suspect. Being on-line he notices that a colleague in Madrid has also discovered the same paper through a blog discussion and they Instant Message, annotating the results together.
    By the time the bus stops he has recomputed the results, proven the anomaly, made a rebuttal in the form of a pubcast to the Journal Editor, sent it to the journal and annotated the article with a comment and the pubcast".
De enige rol zie Carol zag voor de bibliotheek is het vastleggen en bewaren van methodes en data.
Haar boodschap was duidelijk. De onderzoekers van tegenwoordig zijn "ICT-savvy", hebben overal in de wereld hun research-maatjes zitten en zijn qua informatievoorziening prima in staat hun eigen broek op te houden (althans, dat vinden ze zelf). Who needs libraries?
Nadat de Carol-storm uitgeraasd was, hingen de toehoorders als boksers in de touwen.
Toen we in de koffiepauze weer bijkwamen, merkte Kurt de Belder op dat we voor een keus we staan: hetzij we gaan een inhaalactie doen om alsnog van betekenis te zijn voor dit soort onderzoeksgroepen hetzij we concentreren ons op vakgebieden die zich nog niet geheel verlaten op hun eigen Web2.0 gemeenschap, maar dan moeten we het heel wel goed aanpakken.

Jennifer Schaffner van OCLC Research sloot de dag af, ook haar lezing gaf veel stof tot nadenken.
Haar organisatie had het management van een hoop universiteiten gevraagd waar de toponderzoekers (allemaal jonger dan 50) zaten in de USA en UK om deze te interviewen.
Conclusies van deze interviews:
- gemak gaat boven kwaliteit. Als voorbeeld: zij constateerden bij veel onderzoekers een opvallend groot vertrouwen in Google, Google Scholar en bepaalde blogs als wetenschappelijke bronnen ten opzichte van gevalideerde wetenschappelijke databases.
- ze grijpen naar middelen, methoden en bronnen die gebruikelijk zijn in hun vakgebied. De invloed van 'de rest van hun universiteit' is gering.
- de organisatie van documenten en gegevensverzamelingen (data sets) is vaak zorgelijk. Ook Andrew Treloar had een aantal voorbeelden van knullige, zelfbedachte back-up oplossingen.
- persoonlijke relaties zijn dominant in keuze van 'collaborators'
- institutional repositories op hun vakgebied lopen stroef

Conclusie was dat het als bibliotheek heel lastig is de wetenschappers te helpen. De conclusie lijkt dat bibliotheken vooral moeten mikken op het ontwikkelen van persoonlijke relaties (en dus dienstverlening) of zich moeten terugtrekken op hun rollen als licentieboer en dienstverlener voor onderwijs.
Er liggen nog wel kansen. Data management, institutional repositories, wellicht liggen er ook nog mogelijkheden bij data curation.

Dit was een heel interessante dag, de sprekers zijn er goed in geslaagd om het publiek duidelijk te maken wat de bibliotheken te wachten staat als ze niet met hun tijd meegaan.

woensdag 28 juli 2010

Eerste dag TICER 2010

Dinsdagavond, het regent dat het giet buiten. Kan ik eindelijk mijn eerste ervaringen kwijt. Laat ik beginnen met het mooiste verhaal van de eerste dag. Dat werd verteld door een mevrouw uit Denemarken, die na jaren bij ICT-bedrijven te hebben gewerkt nu de ICT-afdeling bij de UB Kopenhagen bestiert. Ze was ooit voor zaken tegen kersttijd in Japan. Daar had een winkelier of etaleur het kerstverhaal niet helemaal begrepen, er hing namelijk een gekruisigde kerstman in de etalage!
We zijn vandaag met een man of 40, waarvan 3 uit Groningen, Klaran Visscher, Annalies Koelstra en ik. Er staan vier presentaties op het programma van telkens een uur, met een half uur voor vragen en discussie.

Maandag ging het over strategische ontwikkelingen in de wereld van academische bibliotheken. De keynote speech van Stefan Gradmann ging over de toekomst, de drie presentaties erna vooral over het hier en nu. Gradmann had het over de Semantische bibliotheek. Hij legde de fundamenten van het Semantic Web uit (niet nieuw meer voor ons sinds de presentatie van Florian Kunneman) en gaf zijn visie over de impact die dat gaat hebben.
1. We hebben nu een vaste procedure van het schrijven van een wetenschappelijk stuk tot het uiteindelijk geciteerd wordt door een andere wetenschapper. De bibliotheek  speelt een rol bij een aantal stappen in dit proces. Als wetenschappers werken volgens de principes van het semantisch web, verwordt deze procedure tot een netwerk, waarin de stappen niet meer voorspelbaar zijn. Het bijzondere van dit netwerk is dat machines - al redenerend en zoekend - hier resultaten uit te voorschijn kunnen halen die mensen vaak zullen missen.
2. De aandacht zal verschuiven van de buitenkant (container: boek, dvd, tijdschrift) naar de inhoud (content: artikel => pagina => paragraaf => zin => woord). De noties ‘collectie’ en ‘catalogus’ zullen zwakker worden.
3. De technologie van het Semantic Web past veel beter bij de exacte wetenschappen en geneeskunde dan bij Letteren, Theologie en Economie.  Dit komt bijvoorbeeld omdat begrippen moeilijker eenduidig te definieren zijn bij de laatste categorie. De huidige successtories komen ook bijna allemaal uit de medische of biomedische hoek.
Gradmann hield helaas afstand van de prangende vragen 'wanneer, waar en hoe?'. Ik vraag me zelf af of er een volledige overgang komt naar de semantische bibliotheek en denk dat het tempo sterk zal afhangen van de eigenschappen van een onderzoeksgemeenschap. De eerste vakgebieden waar het semantisch web zal overheersen zullen waarschijnlijk vrij kleine, homogene vakgebieden zijn met een sterke groepsethiek.

Daarna mevr. Redse uit Noorwegen met een verhaal over het uitdenken van indicatoren die zouden moeten aangeven hoe goed een bibliotheek functioneert. Denk dan bv. aan het aantal uitleningen tegenover het aantal objecten in de collectie. Dit verhaal viel niet goed. Niet alleen was men na een aantal jaren (2006 tot heden) nog steeds niet verder gekomen dan de tekentafel, maar ook had men heel weinig gedaan met onderzoek uit andere vakgebieden naar het gedrag van consumenten / gebruikers / bezoekers  (retail marketing, gedragswetenschappen, maar ook onderzoek bij openbare bibliotheken).

Paula Kaufman, bibliothecaris van de enorme bibliotheek van Urbana-Champaign (Illinois) praatte ons bij over een onderzoek, gesponsord maar niet beinvloed door Elsevier, naar de Return-on-Investment (soort kosten/baten analyse) bij haar bibliotheek in 2006. Zij vergeleken de kosten van de bibliotheek met de opbrengsten van externe onderzoeksgelden ('grants'), voorzover de toegekende aanvragen literatuurverwijzingen uit de bibliotheek bevatten. De uitkomst was dat tegenover 1$ bibliotheekkosten 4,38$ aan inkomsten stonden. Paula wees er onmiddellijk op dat je hieruit niet de conclusie mocht trekken dat 1$ extra uitgaven aan de UB voor 4,38$ meer inkomsten voor de universiteit zou zorgen. Het getal moet beschouwd worden als een indicator, meer niet. Pas als je dit onderzoek gedurende een aantal jaren zou herhalen, zou je er eventueel sterkere conclusies uit kunnen trekken.Het ROI-onderzoek is kort daarna herhaald in 8 andere landen. De ROI's varieerden van 1 op 15 (onderzoeksinstituut in de hoek van de exacte wetenschappen en geneeskunde) tot 1 op minder dan 1 bij een instituut dat vooral op onderwijs was gericht. Kaufman doet een vervolgonderzoek waarbij naar 3 functionele gebieden van de UB wordt gekeken: onderwijs, onderzoek en evenementen.

John MacColl van OCLC Research sloot de eerste dag af. Zijn onderwerp was de rol van UB's in Research Assessment (beoordeling van onderzoek). OCLC heeft een onderzoek gedaan in 5 landen, Denemarken, Australie, UK, Ierland en Nederland.  Een belangrijke conclusie is dat het veel uitmaakt hoe makkelijk onderzoekers aan een aanstelling ('tenure') komen en wat het risico is of ze hun aanstelling kunnen verliezen. Nederland zit aan de ene kant van het spectrum: onafhankelijke, moeilijk aanstuurbare wetenschappers en geen enkele universiteit die echt goed presteert. In Groot-Brittannie haalt de top-15 van de universiteiten meer dan 60% van de onderzoeksgelden binnen. Een andere ontwikkeling daar is druk op onderzoekers om vooral artikelen te publiceren, dat mooie boek moet maar wachten. Verder spelen bibliotheken in de UK een heel marginale rol.
Recent onderzoek in de USA laat zien dat ook daar het gedrag van onderzoekers sterk bepaald wordt door zorgen over hun baan en toekomst ('tenure skew'). De conclusie van MacColl is dat de UB's veel te doen hebben in het ondersteunen van het bestuur van de universiteiten bij het beoordelen van de onderzoekers en het ondersteunen van de onderzoekers zelf.

Al met al een redelijke eerste dag. Drie van de vier verhalen waren de moeite waard, maar nog geen vuurwerk. Meer informatie is te vinden via http://www.tilburguniversity.nl/services/lis/ticer/2010/result.html

zaterdag 24 april 2010

Introductie


Mijn naam is Jan Feringa. Ik doe genealogisch en historisch onderzoek voor mijzelf en anderen, zie http://194.171.109.12/download/cbg_nl_eng_lijst%20onderzoekers_200901.pdf.
In deze blog is van alles te vinden over genealogie.
Op mijn oude website stond ook genealogische data. Dat is allemaal verhuisd naar Rootsweb en Geneanet. Ziehttp://wc.rootsweb.ancestry.com/cgi-bin/igm.cgi?db=feringa en http://gw1.geneanet.org/index.php3?b=feringaj.
Ik realiseer me dat deze informatie een stuk beknopter is dan op mijn oude site. Heb je vragen of verzoeken (kwartierstaten, etc.), mail me gerust (zie envelopjes onder de blogs), dan stuur ik je de gevraagde informatie toe.

Kijk vooral bij de verschillende blogs!

Het klooster Wietmarschen

De Urbar (grondboek) van het klooster Wietmarschen

In Wietmarschen (20 km. ten zuiden van Meppen) is van de 12e tot begin 19e eeuw een klooster gevestigd geweest. Dit klooster speelde een belangrijke rol in het feodale stelsel dat al vanaf de 9e eeuw van kracht is in deze regio. Van dit klooster zijn regesten bewaard gebleven (verzameld en uitegegeven door Wilhelm Kohl in 1973) en een Urbar (grondboek) uit 1571. Dit Urbar is een belangrijke bron voor historici en genealogen en bevat vele vermeldingen over Nederland, bv. over het nabijgelegen klooster van Sibculo en het huis Ootmarsum. Een transcriptie van deze bron staat in het boek "Kloster und Stift Wietmarschen" van Heinrich Specht uit 1951 (Bentheimer Heimatverlag Nordhorn). Dit boek van Specht bevat naast de transcriptie veel additionele informatie, waaronder een namenregister op de Urbar. Beide boeken zijn uiteraard niet meer in de handel, bij antiquarische aanschaf moet op ca. 35 euro gerekend worden.

Het klooster Wietmarschen

Het klooster is gesticht door de ridder Hugo van Büren. Zijn gemeenschap was eerst gevestigd te Weerselo. Toen het door Heribert, bisschop van Utrecht, toegewezen gebied daar na 10 jaar te klein bleek, is hij naar Gravin Gertrud von Bentheim gegaan om te vragen of ze zich mochten vestigen in een "zekere moerassige vlakte, Wytmersch genoemd". Dit lag tussen de buurtschappen Baclo (Bakelte) en Lohn. De monnik Hildebrand, aanbevolen door het Benedictijner St. Paulusklooster in Utrecht, werd in 1152 feestelijk als eerste abt binnengehaald in Wietmarschen.
Het klooster was van 1152 tot 1259 een gemengd Benedictijnerklooster (samen met Weerselo onder één abt) en van 1259 tot 1675 een Jung-Frauenkloster (onder een proost en priorin). Vanwege de onevenwichtige verhouding tussen de nonnen (weinig) en adellijke "Jüffern" (veel) wijzigde Bisschop Bernard van Galen het klooster in 1675 in een "Freiweltlichen Damenstift Wietmarschen", onder een abdis. In 1811 is onder het Franse regime het klooster opgeheven. Enkele oude gebouwen bestaan nog, vaak ingrijpend verbouwd.
Het bezit van het klooster groeide gestaag, in de Urbar van 1571 worden in totaal 139 schatplichtige "Erben, Kotten oder andere Wohnstätten" vermeld, niet alleen in het kerspel Wietmarschen maar ook ten noorden daarvan, in het zuiden van het Emsland. De bewoners van deze boerderijen verschilden onderling qua positie in het feodale stelsel. Er was een groep die "heel ende al eghen" was, waar de kinderen niets konden erven van vader of moeder. Anderen moesten bij overlijden de helft van de roerende goederen afstaan. Naast deze horigen waren er ook de zogenaamde Blutfreien, die bij overlijden slechts het "Eine Beste" moesten afstaan. Er waren ook vrije mensen onder de bewoners van bovengenoemde boerderijen, met name kinderen. Voor overname van een boerderij kwamen overigens alleen horigen in aanmerking, doorgaans de oudste zoon van de vorige hoofdbewoner, de "Erflinck"of "Erffvolger".
De bewoners droegen normaalgesproken als achternaam de naam van de boerderij. Als een bewoner wegtrok naar een andere bestemming buiten de jurisdictie van het klooster kon dat alleen door geruild te worden (een Wessel) met een horige uit de andere streek of vrij te worden (normaliter tegen een forse vergoeding). Vrije mensen konden namelijk wegtrekken of huwen zonder toestemming van het klooster. Van iedere horige die vertrok zou dus in principe een Wessel of "Vriheit" te vinden moeten zijn. Dit is echter regelmatig niet het geval, vooral vanwege heimelijk vertrek naar bestemmingen waar niet zwaar werd getild aan deze regels (zoals Groningen en Drenthe).

De Urbar

Ene J.V.S., vermoedelijk de "Amtmann" van het klooster, is de auteur van een manuscript uit 1571, de Urbar. Dit manuscript is na veel omzwervingen ca. 70 jaar geleden aangekocht door het Staatsarchief Osnabrück (Rep. 1. No. 296 Staatsarchiv Osnabrück). In het manuscript zijn aanvullingen te vinden van 1571 tot 1577. De belangrijkste onderdelen zijn het "Wesselboick", waarin de ruil van horigen met andere kloosters en leenheren beschreven staat en een beschrijving van alle schatplichtige "Erve, Kotten und andere Wonstede" incl. genealogische informatie over de bewoners en hun voorgangers (soms 4 of 5 generaties).
Het bijzondere van deze 16e eeuwse bron is dat de behandelde personen en families over het algemeen niet tot de bovenlaag van de bevolking behoorden, zoals bij andere bronnen uit deze tijd bijna altijd het geval is. Uit de Urbar valt voor genealogen veel interessante informatie te halen. Deze genealogische informatie is soms zeer gedetailleerd (bv. doopdata) en gaat vaak terug tot ruim voor 1500. Uit het nageslacht van deze families (bv. Hadewert / Hadwerding, Hermelinck, van der Lage / Lageman, Lugering, Lyndeman, Mencken, Niehoff, Schiller, Schulte, Schyvink, Sickink, Suthoff, Tegeder, Teusinck, Tungerloe, Wichboldes, etc.) zijn later veel mensen naar onze streken getrokken.
Ook bevat de Urbar een lijst met mensen die vrij gelaten zijn, dwz. afscheid hebben kunnen nemen van de status van horige.

woensdag 7 april 2010

Oud voorgeslacht

Mijn kwartierstaat was al een stuk 'ouder' geworden door de link met de familie Von Langen (in jongere generaties ook wel Langen genoemd, in Nederlands gebied ook wel Van Langen). Dit is de familie met de vijf ruiten in het wapen, niet te verwarren met het andere oude geslacht Von Langen met de schapeschaar in het wapen. Dit geslacht komt voor in het kwartier van mijn betovergrootmoeder Maria Margaretha Bergmann (1843-1922), echtgenote van 'Kras Rouf' (Rudolph Rolfes) en schoonmoeder van mijn overgrootvader 'Minne' Feringa.
Inmiddels ben ik erachter gekomen dat de schoonmoeder van mijn opa Jan Feringa, Anna Adelheid Borgmann (1877-1967), nakomeling is van beide adellijke families Von Langen.
Ook bij Wijka blijkt een link naar veel oud en adellijk voorgeslacht te bestaan. De link is de echtgenote van haar betovergrootvader Tonnis Oldenburger, Anna Kaspers Smedeman. Haar moeder is Aaltje Hofman, haar oma is Anna Selhuisen (familie komt oorspronkelijk uit de omgeving van den Haag, waarschijnlijk Voorschoten). Anna Selhuisen's oma aan vader's kant is Alina Roemeling. Van diens vader, Theodoricus Roemelingh (1627- 1667 Farmsum), is zowel aan vaders' als aan moeders' kant veel oud voorgeslacht bekend, onder andere de familie Von Münster (stam ik ook vanaf) en Karel de Grote. 
De eerste drager van de naam Von Langen met de schapeschaar in het wapen, is Wobbeke von Langen (ca. 1615 -1687, 11 generaties vóór mij). Deze familie bestaat voornamelijk uit rechters en burgmannen en gaat terug tot Jakob von Langen (ca. 1245 - na 1308), burgman en Drost van het Niederstift Münster.
De eerste drager van de naam (Von) Langen uit de andere tak is, Metta Tecla von Langen (1656 - 1710), komt voor in mijn 10e generatie, de stamvader Conradus Longus (ca. 1050 - na 1086) in de 30e generatie. Van bepaalde generaties is erg weinig bekend, over anderen (bv. de schildknaap Egbert I von Langen, die rond 1400 leefde) is in diverse bronnen informatie te vinden. Egbert Von Langen, de bastaard uit de 17e generatie, draagt nog het familiewapen, weliswaar met een roos in de linkerbovenhoek (vanwege de onzuivere afstammming). Bij de jongere generaties vinden we het wapen met de ruiten niet meer terug.
De informatie over de beide families Von Langen ontleen ik vooral aan Bernd Josef Jansen, verder aan Ger Straatman, "Die Rittersitze des Emslandes" van Rudolf von Bruch en "Lathen, ein Dorf an der Ems" van Hermann Frerker. De grote kenner van de tak met de ruiten in het wapen, de Kölner archivaris Franz Josef Goldmann, is helaas overleden voor hij tot publicatie van een boek over deze familie was gekomen. Van zijn hand is 20 jaar geleden wel een Ahnenliste gepubliceerd in "Emsländische und Bentheimer Ahnenlisten".
De informatie over de familie Roemeling komt met name van de heren O.D.J. Roemeling en Henny Savenije.
Voor het familiewapen Von Langen (met de ruiten in het wapen), zie hieronder (met dank aan Ger Straatman)

maandag 5 april 2010

Genealogische links

Genealogie-sites uit het Nedersaksische taalgebied:
http://wc.rootsweb.ancestry.com/cgi-bin/igm.cgi?db=feringa Mijn data, geschoond van mensen die nog leven
http://berndjosefjansen.de/ Ongelooflijk uitgebreide kwartierstaat, heel veel Emsland
http://berndjosefjansen.de/lueken/ansgar-frm3.htm Nog zo'n diepe kwartierstaat, ook door Bernd gemaakt
http://www.xs4all.nl/~fjmblom/ Web-site Pauline Berens (Barger-Compascuum, genealogie, etc.)
http://members.home.nl/sjouwke/ Gespecialiseerd in het Groningse Hogeland, warm aanbevolen
www.genealogiegroningen.nl/ Heel veel informatie over genealogie in Groningen, Harm Selling
http://www.xs4all.nl/~jbsijbom/gen_alg1.html Drentse families als Peters, Prinsen, Reuvers, Sibum
http://www.lamain.nl/ Oedipus-software, voor onderzoekers in Groningen onmisbaar
http://www.xs4all.nl/~teijodkp/ Veel genealogische informatie, Groningen en omstreken
http://www.homanfree.nl/ Drenthe, Groningen, Zuid Holland en Ost-Friesland (Dld).
www.emslanders.com Namen van emigranten vanuit Emsland naar USA
http://home.kpn.nl/duifjes2/doopboek.htm Familienamen in het doopboek van Zuidbroek/Muntendam
http://www.macatawa.org/~devries/BentheimCem.html Namen van grafstenen in het graafschap Bentheim
http://members.chello.nl/~c.feringa/ Veel Groningen, ook Indië, Rusland, Frankrijk
http://www.reenders.com/tax-bedum.shtml Groningen, onder andere taxatielijsten 1730-1731
http://www.einhaus.nl/ Overijssel, familie Einhaus / Enhus / Kohnen
Zoeken op namen:
www.genlias.nl Zoeken in de NL burgerlijke stand (nog incompleet)
www.allegroningers.nl Zoeken in Burgerlijke Stand (bijna compleet) en kerkboeken (bijna compleet) provincie Groningen
www.drenlias.nl Hetzelfde verhaal voor de provincie Drenthe
http://www.cyndislist.com/ Ongelooflijke groot en populair, Engelstalig
NedGen Genealogische Zoekmachine Nieuw, Nederlandstalig
www.xanten.org Namendatabase van Alfons Santen
Nederlandse sites:
www.stamboompagina.nl Genealogische startpagina
Buitenlandse sites:
www.ellisislandrecords.org Registratie buitenlandse personen via Ellis Island
http://www.kirchliche-archive.de/ Overzicht RK kerkarchieven in Duitsland

Feringa in Oberbayern

Feringa in Oberbayern
Bij de plaats Unterföhring (bij München en Oberföhring) bevindt zich een Feringa See. In de plaats staat een Feringa Hotel aan de Feringastrasse. De naam van de plaats blijkt afkomstig te zijn van de Feringa's, bewoners van Fara of Fero. Dit blijkt uit een akte van 807, waarin een rechtshandeling beschreven wordt, die zich in een plaats afgespeeld heeft, die Föhring genoemd werd. Hiermee wordt zowel Unter- en Oberföhring bedoeld.
Pas in een akte uit 1180 van de Hoch Stift Freising wordt Unterföhring apart vermeld. In die tijd sloot Hertog Heinrich der Löwe de Salzstraße bij Feldkirchen af, om hem daarna om te leiden naar München om op die manier zelf de zoutpenningen te kunnen incasseren. Met de beslissing de tolheffing op zout naar "Munichen" over te hevelen, is de stichting van München verbonden. Zie ook www.unterfoehring.de(met dank aan Josef Fercher).
Van Christine Mathis-Huber kreeg ik nog de volgende aanvulling over de oude marktplaats Pförring (iets noordelijker, bij Ingolstadt):
Ein Ausschnitt aus dem Buch Pförring, Faringa, Vergen, Pferingen. Die älteste urkundliche Erwähnung aus dem Jahre 787 n. Chr. weist Pförring als „Faringa" aus. Einhardt, der Biograph Karls des Großen, schreibt in den „Annales Regni Francorum" anläßlich eines Streites zwischen Kaiser Karl und dem Bayernherzog Tassilo: „Tunc Rex Carolus iussit, alium exercitum fieri super Danubium fluvium in loco, qui dicitur Faringa." Zu Deutsch: „Dann befahl König Karl, ein anderes Heer über die Donau zu setzen, an dem Ort, der Faringa genannt wird."

De naam Feringa



De naam Feringa
De naam Feringa komen we al omstreeks het jaar 800 tegen in een heel ander taalgebied, namelijk Oberbayern. Bij Unterfoehring ligt een meer met de naam Feringasee. 
In ons taalgebied bestaat de naam Feringa uit twee delen. Het eerste deel verwijst naar een voornaam. Er is vroeger in Noordoost-Nederland (blijkbaar niet in Oost-Friesland) een voornaam Fere, Feer, Veer in gebruik geweest, die de basis vormt van de naam Feringa. Daarnaast komen ook voor Feersema, Ferenga, Feeringa, Veersema enz.
Dr. Ebeling heeft in 1444 een Bene Verynge in Ees gevonden (Ord. Etstoel no. 2423) en aldaar ook een Johan Verynge in 1494 (Inv. arch. kloosters no 822). De naam Feringa wordt eind 15e eeuw al gesignaleerd in Kollum (Eje of Ije Feringa) en in 1508 bij Sebaldeburen (Meyne Feringa, zie link ).
In “De Ommelander Borgen en Steenhuizen” van Formsma wordt vermeld dat in de 16e eeuw al diverse leden van een familie Feringe aan worden getroffen, met name Pabe, Jelto en Itke. In "Tussen Hunze en Lauwers" van G.H . Ligterink komen een Pabe Feringe en Lubbe Feringa voor. Pabe Feringe is niet alleen bezitter van grote heerden, maar ook lid van het vechtersgilde van Langewold. Hij wordt in 1520 veroordeeld door de Westerwarf in Groningen. Op Aykemaheerd in de Westerhorn speelt zich kort na 1500 een handgemeen af waarbij is betrokken Lubbe Feringa van Lutjegast-Noord.
In 1573 huurt Weghe Feringa kerkeland; samen met Allert Boykema en Johan Ennens is hij eigenaar van 14 grazen land in Ezinge (uit "Een vergeten plattelandselite" van H. Feenstra en H.H. Oudman).
Het tweede deel van de naam is het suffix, het achtervoegsel -inga dat met name in Friesland en Groningen geregeld voor de vorming van familienamen werd gebruikt. Het is afkomstig uit de Oudfriese periode (tot ca. 1550) en bestond in die tijd zelf eveneens uit twee delen: -ing plus -a. Met -ing werd in vele Germaanse talen het behoren tot een persoon of groep aangeduid; de -a is een Oudfriese naamvalsuitgang. In Drenthe komen we in vroegere tijden vooral -inge tegen.
Het is goed mogelijk dat mensen die later de familienaam Feringa aangenomen hebben, niet de bewuste voornaam voor ogen hebben gehad, maar een veer = overzet of een veder. Naamkundigen noemen dat secundaire motivatie en dat is zeker vaker voorgekomen.
In Johan Winklers Naamlijst uit 1898 wordt n.a.v. de mannelijke voornaam Fere en varianten ook op de Feringa-state (een hoeve) in Visvliet gewezen. Ook bekende heerden (Ipo Feringestede bij Sebaldeburen-boven, Noorder- en Zuider-Feringe onder Lutjegast) kunnen een rol gespeeld hebben bij de bekendheid van deze naam. Ik denk zelf echter eerder aan de invloed van de borg Feringa bij Grootegast (voortgekomen uit de heerd Feringestede) en de invloedrijke familie De Hertoghe van Feringa, ooit bewoners van deze borg. In de Franse tijd ontstaat een aantal “nieuwe” Feringa’s juist in deze streek.
De bewuste borg is overigens in de tweede helft van de 18e eeuw gesloopt (zie ook Formsma), maar de familie De Hertoghe bleef de titel “van Feringa” voeren. In de 19e eeuw sterft deze familie uit.
Met dank aan Dr. R. Ebeling, gepensioneerd universitair docent naamkunde aan de RUG en dhr. K. Feringa (auteur stadgeschiedenis van Groningen "Een Stoere Stad").

Verschillende families met de naam Feringa / Veringa



De naamkundige Dr. R. Ebeling heeft in 1444 een Bene Verynge in Ees (Dr.) gevonden (Ord. Etstoel no. 2423) en aldaar ook een Johan Verynge in 1494 (Inv. arch. kloosters no 822). De naam Feringa wordt eind 15e eeuw al gesignaleerd in het Friese Kollum (Eje of Ije) en in 1508 bij Sebaldeburen in het Groningse Westerkwartier (Meyne Feringa, zie link ). In “De Ommelander Borgen en Steenhuizen” van Forsma wordt vermeld dat in de 16e eeuw al diverse leden van een familie Feringe aan worden getroffen, met name Pabe, Jelto en Itke. Pabe Feringe wordt ook genoemd in "Tussen Hunze en Lauwers" van G.H. Ligterink, als een van de grote heerdenbezitters die in 1520 veroordeeld wordt door de Westerwarf te Groningen. In het zelfde boek staat vermeld dat op Aykemaheerd in de Westerhorn kort na 1500 zich een handgemeen afspeelt waar Lubbe Feringa van Lutjegast-Noord bij betrokken is.
In 1573 huurt ene Weghe Feringa kerkeland; samen met Allert Boykema en Johan Ennens is hij eigenaar van 14 grazen land in Ezinge (uit "Een vergeten plattelandselite" van H. Feenstra en H.H. Oudman).
¤ Rond 1640 wordt in Niehove (Gr.) Eje Hillies Feringa geboren op de hoeve Westerpama. Hij komt uit een voorname familie (vader heet Eje Jeltes Feringa, zijn grootvader dus zeer vermoedelijk Jelte Feringa) van hovelingen en compareert op de landdag. Hij had drie dochters, één ervan, Tietje Ejes, noemt echter haar enige zoon Eje Feringa! Haar beide dochters krijgen de achternaam naam Kimminga. Ik verkeerde in de veronderstelling dat deze tak uitgestorven was, door een Amerikaanse Feringa werd ik echter onlangs geïnformeerd dat hij afstamt van deze tak. Tietje, haar echtgenoot en haar zoon liggen begraven in de kerk van Niehove:
Anno 1749, den 15 january, is de eerbare Eje Feringa, zone van hoveling Cornelis Peters en Tietie Ejes Feringa, in haar leven woonagtig op Westerpama in het caspel Niehove, in 48 jaar zynes ouderdoms seer christelyk in den Heere ontslapen, verwagtende met alle waar gelovige een vrolyke opstandinge door jesum Christum onsen Heere.
Wapen: Gevierendeeld: I een halve adelaar; II op een terras een tegen een boom klimmend omgewend hert met een groot gewei; II drie klaverbladen; IV een met twee pijlen van boven naar beneden schuinkruislings doorstoken mensenhart.
¤ In 1658 gaat de edelsmid Geert Feringa in ondertrouw in de stad Groningen, hij is afkomstig uit Collum (Kollum). Hij krijgt 4 kinderen, alleen van dochter Regina zijn later nog sporen terug te vinden als echtgenote en moeder.
¤ Daniel de Hertoghe, geboren in Sluis in 1641, trekt met zijn stiefouders mee naar Groningen. In 1658 gaat hij studeren aan de universiteit, in 1666 koopt hij het huis Glimmen en in in 1669 huwt hij Cecilia Elisabeth Tamminga van Ludema, waardoor hij verbinding kreeg met de Ommelander adel en voor Uskwerd mag compareren op de landdag. In 1673 koopt hij de borg Feringa bij Grootegast van de weduwe Ketel. Vanaf dat moment voert zijn familie de titel “van Feringa” en compareert hij op de landdag voor Grootegast. Na zijn overlijden erft de oudste zoon Onno Jacob de Hertoghe van Feringa de borg, daarna zijn broer Unico Michiel. De borg wordt in 1746 afgebroken, vermoedelijk omdat door huwelijk en erfenissen de erfgenamen teveel steenhuizen moesten onderhouden. In 1812 sterft het geslacht in de mannelijke lijn uit. Zowel in de Menkemaborg (stamboom) als de borg Verhildersum (schilderij) komen we leden van dit geslacht tegen.
¤ In 1695 trouwt Ecke Jacobszn te Oldehove (Gr.), in 1696 wordt hij als bejaard persoon gedoopt in de Nederduits-Gereformeerde kerk te Oldehove. Hij heeft twee zoons, Jacob Eckeszn en Tymen Eckeszn Feringa. Al hun nakomelingen heten Feringa, deze tak bestaat nog. Over deze tak heeft K. Feringa een boek geschreven “Het geslacht Feringa”, in te zien in het Rijkarchief te Groningen.
¤ In 1698 wordt in Oldehove Jan Hielkes geboren, zoon van Hielke Jans en Geertje Tjeerds. Hij wordt schoolmeester, koster en doodgraver in Tolbert en krijgt twee kinderen, Pieter Jans Feringa en Hielke Jans Feringa. Pieter Jans Feringa krijgt geen zoons, Hielke Jans Feringa wel en deze tak bestaat in ieder geval nog in Nederland en de Verenigde Staten. De Feringa’s die een belangrijke rol spelen in het boek “Aan het Veen verknocht” van Derk Gort, behoren tot deze tak (nakomelingen van Jan Feringa en Wija Poppen, gehuwd in 1886 te Onstwedde).
¤ Vanaf 1715 krijgt de Rooms-katholieke stad-Groninger Jacob Geersema 5 kinderen. Zijn zoon Joannis Geersma (ook wel Jan Geertsema) krijgt drie kinderen. De familie lijkt uitgestorven te zijn, ware het niet dat Jan’s kleinzoon Wilhelmus Bartholomeus als Wilhelm Feringa in 1829 opduikt als bruidegom in Twist (D.), een dorp in de katholieke streek langs de Drentse grens. Wilhelm en de meeste van zijn nakomelingen trekken rond 1865 naar de de andere kant van de grens, wat we nu kennen als de dorpen Emmer-Compascuum, Barger-Compascuum en Zwartemeer. Dit waren voorheen onbewoonde streken, waar eeuwen lang vee geweid werd (in het Latijn compascii), eigendom van de Barger boeren. De Barger boeren verkochten dit gebied in 1860. De nieuwe eigenaren verpachtten – in afwachting van vervening – de grond aan arbeiders voor de verbouw van boekweit. Bij het contact met de burgerlijke stand van de gemeente Emmen kregen bijna alle Feringa’s de naam Veringa aangemeten. De latere minister G.H. Veringa is een van de leden van deze inmiddels grote tak Feringa’s / Veringa’s. Een ander bekend lid van deze familie is Ben Feringa, die de Nobelprijs voor Scheikunde toegekend heeft gekregen.
Omdat Wilhelm Feringa geboren is met een andere achternaam en op zijn overlijdensakte de juiste geboortedatum, maar het verkeerde geboortejaar (1805 i.p.v. 1801) voorkwam, heeft het lang geduurd voordat ik zijn doop uiteindelijk had getraceerd in de RK kerkboeken in Groningen. Bij de dood van zijn moeder in 1808 blijkt dat Willem nog leeft, over zijn wedervaren in de periode tussen 1808 en 1829 heb ik nog niets kunnen vinden.
Bovenstaande Wilhelm zal dus waarschijnlijk de naam Feringa hebben aangenomen. Dit gebeurde veelal in de Franse tijd (in 1811 of 1812) of bij de tweede achternaam-campagne van de Nederlandse overheid in 1826. Omdat Wilhelm’s vader overlijdt in 1819 in Groningen onder de naam Geertsema, neem ik aan dat Wilhelm het na 1819 gedaan heeft.
 Bij het huwelijk van Willem staat dat hij uit "Gronigen" (met puntjes op de o) komt, bij zijn overlijden "Groningen" en bij een volkstelling rond 1870 "Gr?nigen" 
(met puntjes op de onleesbare letter), met daarachter Han (van Hannover). Dit zou betekenen  dat Wilhelm uit een Duitse plaats komt met een naam die lijkt Groningen. Als iemand me kan helpen aan extra informatie over mijn Feringa-Geersma theorie te bevestigen of ontkrachten, dan zou ik daar echt heel blij mee zijn.
¤ In 1717 trouwt in Grijpskerk (Gr.) Jelte Ijes Feringa. Gezien de voornaam Jelte sluit ik verwantschap met andere takken niet uit, maar vooralsnog heb ik verwantschap niet kunnen aantonen. De mannelijke lijn van deze familie sterft uit. In deze familie doet zich overigens ook een geval van het doorgeven van een achternaam van de moeder voor, namelijk van de dochter van Jelte Ijes naar haar zoon Hillebrand.
¤ In 1771 trouwt Haje Jacobs, zoon van Jacob Hayes en Anke Gerrits, in Feerwerd (ten Noord-Westen van Groningen). Bij zijn kinderen (vanaf 1772) verschijnt de achternaam Feringa. Hij had 4 zoons, vooralsnog lijkt het erop dat hier de mannelijke lijn uitgestorven is, maar daar heb ik nog geen uitputtend onderzoek naar gedaan.
¤ In 1777 wordt Jan Jeltes Feringa geboren in Noordhorn (Gr.), zoon van Jelte Jans Feringa en Grietje Kornelis Dijksterhuis. Jan Jeltes en zijn broer Kornelis (notabele in Oxwerd, bij Noordhorn) hebben geen nakomelingen.
¤ In 1795 doopt Onne Berends zijn vierde kind als Barber Onnes Feringa in Grijpskerk (Gr.). Deze tak bestaat nog. Voor meer informatie: http://members.chello.nl/~c.feringa/
¤ In 1807 wordt Eije Menses Feringa in Niehove (Gr.) vader van Attje Eijes Feringa. Hij krijgt geen zoons.
Als Napoleon voorschrijft dat iedereen een achternaam aanneemt, kiezen verschillende mensen in 1811/1812 voor de naam Feringa of een variant ervan:
· Gerrit Eelderts Feringa, 1811, Lemmer (Fr.).
· Nieske Jetses Veeringa, 1811, Kollum (Fr.).
· Jan Jans Huning, hierna bekend als Jan Jesias Veringa, 1811, Makkum (Fr.). Deze familie Huning komt oorspronkelijk uit Düsseldorf (D.). Zie www.veringa.org
· Gerrit Everts Ferenga, 27-4-1812, Grijpskerk (Gr.). Hij tekent echter als Feringa.
· Hillebrand Freerks Feringa, 27-4-1812, Grijpskerk (Gr.).
· Freerk Hillebrands Feringa, 29-4-1812, Grijpskerk (Gr.).
· Jan Wobbes Feringa, 28-4-1812, Grijpskerk (Gr.). Hij tekent als Jan Wobbes Feerenga.
· Jan Menses Feringa, 28-5-1812, Visvliet (Gr.).
· Laas Geutjens Feringa, 28-5-1812, Visvliet (Gr.).
· Jacob Hayes Feeringa, 16-4-1812, Feerwerd (Gr.). Vermoedelijk de vader of de oudste zoon van bovengenoemde Haje Jacobs.
· De kinderen en stiefkinderen van wijlen Ida Reinks en Haye Jacobs (bovengenoemd), 17-4-1812, Feerwerd (Gr.). Aangevraagd door hun stedevader Date Dates Tempel.
Helaas zijn in de provincie en met name de stad Groningen weinig gegevens bewaard gebleven van de naamsaannames, waardoor allerminst duidelijk is of bovenstaand overzicht compleet is.
Verder ben ik met name in de 2e helft van de 18e eeuw en de 1e helft van de 19e eeuw nog een hoop ‘losse’ Feringa’s tegengekomen, waarvan nog moet blijken of ze onder te brengen zijn bij één van bovengenoemde takken.
Opvallend is dat afgezien van de Drentse Verynge’s, de in Duitsland opduikende Wilhelm Feringa en twee gevallen te Lemmer en Makkum, alle Feringa’s lijken te ontstaan in een relatief klein gebied in het Groningse Westerkwartier (Niehove, Oldehove, Feerwerd, Grijpskerk, Sebaldeburen, Visvliet, Noordhorn) en het nabijgelegen Kollum.